Ook hij heeft de straffen ondergaan van de Qoeraysh in de periode van Mekka. Hij behoorde tot de groep van emigranten die naar Ethiopië vertrok toen de onderdrukking te zwaar was. Toen hij hoorde dat de situatie weer bekoeld was in Mekka, kwam hij terug. Hij kwam er echter achter dat dit niet klopte en keerde later weer terug naar Ethiopië. Ook nam hij daarna weer deel aan de emigratie naar Medina: hij was een ervaren moehaajir (emigrant).

De boodschapper van Allahﷺ koppelde in Medina elke moehaajir met iemand van de Ansaar (de moslims van Medina; letterlijk: helpers) om de broederschap te versterken en moehaajiroen te laten integreren in Medina. Abdurrahman werd gekoppeld met Sa’ad ibn ar-Rabie’, die tevens ook bekend stond om zijn vrijgevigheid. Hij bood hem de helft van zijn bezittingen en zelfs een van zijn twee vrouwen aan. Abdurrahman antwoordde echter: “Moge God je zegenen in je familie en welvaart. Maar laat me gewoon zien waar de markt is.”

Abdurrahman was iemand die niet alleen veel uitgaf op de weg van Allah, maar ook zijn best deed om dat geld te verdienen. Hij ging op weg naar de markt, die grotendeels in handen was van een andere stam. Deze stam had een soort monopolie daar en deed er alles om om nieuwkomers buiten te houden. Met het weinige bezit dat hij had begon hij handel te drijven, en in een korte tijd maakte hij veel winst, zo veel, dat hij de mogelijkheid had gekregen om te trouwen.

Op een van die dagen kwam hij naar de boodschapper van Allah v.z.m.h. Er hing een lekkere geur om hem heen. De profeetﷺ zei: “Zo zo, Abdurrahman!” Hij antwoordde dat hij getrouwd was. De profeetﷺ vroeg wat hij als bruidsschat aan de bruid had gegeven. Hij antwoordde: “het gewicht van een baksteen aan goud.” Hij bad voor zijn welvaart en spoorde hem aan om een trouwfeest te houden, hetgeen hij deed.

Ze zeggen dat Abdurrahman zo thuis was in het drijven van handel dat, als hij een steen zou omdraaiden, hij goud of zilver verwachtte aan te treffen. Hij wist echter goed wat voor een verantwoordelijkheid bij Allah deze welvaart met zich meebracht. Een keer had hij de helft van zijn, nogal grote, bezit afgedragen voor een veldtocht tegen de ongelovigen.

Een andere keer, toen een veldtocht tegen de Byzantijnen werd georganiseerd, een veldtocht die heel zwaar en moeilijk was, werden de mensen weer opgeroepen hun bezittingen in de weg van Allah weg te geven. Abdurrahman gaf weer extreem veel weg. ‘Oemar deed zijn beklag bij de profeet v.z.m.h., omdat Abdurrahman niks zou hebben over gelaten voor zijn gezin. Hij zei daarop:

“Voor hen heb ik meer en betere zaken achtergelaten dan wat ik geef.”

Toen de boodschapperﷺ doorvroeg naar wat hij had achtergelaten, antwoordde hij:

“Hetgeen Allah en Zijn boodschapper hebben beloofd aan levensonderhoud, goedheid en beloning.”

Op een dag was de profeet nergens te bekennen, en de tijd voor het gebed was gekomen. Daarop kozen de sahaaba Abdurrahman als imam. Terwijl hij voorging in het gebed, sloot de profeetﷺ aan bij de gemeenschap, en zo was Abdurrahman de eerste, en een van de twee, achter wie de profeetﷺ heeft gebeden.

Toen de profeetﷺ overleed, onderhield hij zijn vrouwen, de moeders der gelovigen. Hij ging zelfs met hen mee waar ze ook wilden gaan en verrichtte de bedevaart met hen om zeker te weten dat alles naar wens verliep. Zo diep was zijn liefde voor de profeet en zijn familie. Op een dag kreeg ‘Aïcha, moge Allah tevreden met haar zijn, veel geld van iemand. Toen ze vroeg van wie het kwam, bleek het Abdurrahman te zijn. Daarop zei ze dat de profeetﷺ tegen haar had gezegd: “Niemand zal mededogen tonen jegens jou nadat ik dood ben behalve de geduldigen.”

De smeekbede van profeetﷺ voor de welvaart van deze sahaabiy leek tot zijn dood effect te hebben. Hij stuurde vele grote karavanen naar de mensen ven Medina, om hen te voorzien in hun benodigdheden en bovendien verkocht hij de spullen die de mensen in Medina over hadden in andere streken van het rijk.

Abdurrahman was niet alleen vrijgevig: naast de financiële contributies die hij leverde, stond hij er ook om bekend dat hij dapper vocht tijdens de veldslagen tegen de Qoeraysh. Hij had tijdens de slag van Oehoed wel twintig wonden gekregen. Hij deed dus niet alleen jihad met zijn bezittingen, maar ook met zijn lichaam. Hij heeft gevochten in alle veldslagen waar de profeetﷺ, ook bij was.

Op een dag werd in Medina, een stad die normaal heel rustig is, een hard, trommelend geluid gehoord. Het geluid kwam van de buitengrenzen van de stad. Het geluid werd steeds harder en harder, en in de wind ontstonden stof- en zandwolken. Het volk van Medina realiseerde al snel dat er een grote karavaan op komst was. Vol bewondering en verbazing aanschouwden ze hoe zevenhonderd kamelen de stad binnenkwamen, alle volgepakt met goederen, en het straatbeeld bepaalden. Iedereen werd erbij geroepen om het hele gebeuren mee te maken en te kijken wat de karavaan allemaal had meegenomen voor het volk.

De moeder van de gelovigen, ‘Aïcha, moge Allah tevreden met haar zijn, vroeg wat er aan de hand was. Er werd haar verteld dat de karavaan van ‘Abdurrahman uit Syrië was gekomen met goederen. Ze vroeg vol verbazing: “Een karavaan die al deze commotie veroorzaakt?” Het antwoord luidde: “Ja, o moeder van de gelovigen. Er zijn zevenhonderd kamelen.”

De scherpe geest van ‘Aïcha, die veel overleveringen heeft overgebracht naar de volgende generaties, keek in de verte alsof ze iets probeerde te herinneren. Ze zei:

“Ik heb de boodschapper van Allah, moge Allah hem vrede en zegeningen schenken, horen zeggen: ‘Ik heb Abdurrahman ibn ‘Awf kruipend de hemel zien binnentreden.’”

Maar waarom kruipend? Abdurrahman kreeg van zijn vrienden te horen wat ‘Aïcha, moge Allah tevreden met haar zijn, had gezegd. Ook hij had deze woorden meerdere keren gehoord uit de mond van de edele profeet, v.z.m.h. Hij haastte zich naar ‘Aïcha en zei:

“O moeder, heb jij dat van boodschapper van Allah, moge Allah hem zegenen en vrede schenken?” Aïcha gaf ja als antwoord. Hij was heel blij en zei: “Als ik het zou kunnen, zou ik zeker het paradijs staand willen binnentreden. Ik zweer het je, o moeder, dat heel deze karavaan met al zijn goederen, ik geef ze weg op het pad van Allah.”

En zo werd er feest gevierd in Medina, en werden de goederen in de stad en omstreken verdeeld. Dit zijn slecht enkele voorbeelden van zijn vrijgevigheid. Abdurrahman had altijd veel bezit, maar hechtte  geen waarde aan materie, en hij liet het hem niet corrumperen. Hij bleef geven, in het openbaar en in het geheim, hoeveelheden, die niet voor te stellen zijn. Duizenden rijtuigen als paarden en kamelen, tienduizenden goud- en zilverstukken en ga zo maar door. Abdurrahman had een voorbeeld gesteld voor alle rijke mensen in de toekomst. Als je de waarde van goederen zou omrekenen naar hedendaagse bedragen, dan zou het zijn alsof Abdurrahman hele beursgenoteerde bedrijven weggaf voor de Wil van Allah. Toen hij was overleden, was zijn erfenis in 46 delen gesplitst, en elk deel stond voor 80.000 zilverstukken. We kunnen zelf wel bedenken hoe rijk hij was.

Men zou denken: hoe kon hij met een toegestane handel, dus zonder rente, zoveel verdienen? Hij had vast een paar trucjes… Integendeel, Abdurrahman ibn ‘Awf zei een keer over zichzelf:

“Wij hebben de helft van het toegestane gelaten, uit angst voor rente.”

Abdurrahman, moge Allah tevreden met hem zijn, was dus een hardwerkende en vrijgevige zakenman. Dat weerhield hem er niet van om handarbeid te verrichten. Als hij de arbeiders van de stad hielp, was hij niet te herkennen als een zakenman, maar eerder als een van hen. Op een dag kwam iemand met eten voor hem om het vasten te verbreken. Hij keek naar het eten en zei:

“Moes’ab ibn ‘Oemayr is gedood. Hij was beter dan mij. Wij vonden niks van zijn bezittingen om hem mee te omwikkelen, behalve hetgeen zijn hoofd bedekte, maar zijn benen ontblootte. Toen heeft Allah ons begiftigd met de doenyaa (het wereldlijke). Ik vrees echt dat onze beloning ons vroeg is gegeven (nl. in deze wereld).” Hij begon te huilen en kon niet eten.

De ongelovigen trachtten hem te bespotten, door te zeggen dat hij een opschepper is. Daarop werd een vers geopenbaard:

“Zij, die de gelovigen belasteren welke vrijwillig aalmoezen geven en hen die niets vinden (te geven) dan naar hun vermogen, bespotten: Allah zal hen bespotten en er is voor hen een pijnlijke straf.” (De Edele Qor’aan 9:79)

Abdurrahman ibn ‘Awf was een slimme handelaar en zijn handel was de handel die Allah in zijn Boek heeft getoond aan de gelovigen:

“O gij die gelooft, zal ik u inlichten over een handel die u zal redden van een pijnlijke straf? Dat gij in Allah en Zijn boodschapper gelooft en voor de zaak van Allah met uw bezit en uw persoon strijdt. Dat is beter voor u als gij het weet.”

En Allah belooft het volgende voor diegene:

“Hij zal u uw zonden vergeven en u in tuinen leiden waar doorheen rivieren stromen en tot reine woningen toelaten in de tuinen der Eeuwigheid. Dat is de grote zegepraal.” (De Edele Qor’aan 61:10-12)

Moge Allah Abdurrahman, moge Allah tevreden met hem zijn, belonen met het beste van Zijn beloningen, en ons ook, en aan alle gelovige mannen en vrouwen. Aamien.