Word Lid!
Logo_Icim_Leiden
Navigatie

De Metgezel Abdullah ibn Hudafah

Deel met je vrienden! Facebook Twitter google

Islamitisch Centrum Imam Malik | 18 oktober 2015

De Metgezel Abdullah ibn Hudafah

Abdullah ibn Hudafah  had helemaal geen aanspraak op aandacht of roem. De grootheid van de Islam gaf echter aan Abdullah ibn Hudhafah de kans om twee wereld potentaten van zijn tijd te ontmoeten. Deze twee wereld potentaten waren Khusraw Parvez, de koning van Perzië, en Heraclius, de Byzantijnse keizer.

Het verhaal van zijn ontmoeting met Khusraw Parvez begon in het zesde jaar van de hijra toen de profeetﷺ had besloten om een ​​aantal van zijn metgezellen te sturen naar de heersers buiten het Arabische schiereiland met brieven om hen uit te nodigen tot de islam.

De profeetﷺ hechtte groot belang aan dit initiatief. Deze boodschappers gingen naar verre landen met welke er nog geen overeenkomst of verdrag was. Ze wisten niet eens de talen en de manieren van deze landen. Hun taak was om deze heersers uit te nodigen om hun huidige religie op te geven en te kiezen voor de islam. Deze missie was ongetwijfeld gevaarlijk.

Om zijn plan bekend maken, riep de profeetﷺ riep zijn metgezellen bijeen. Hij begon met God te prijzen en Hem te danken. Hij reciteerde de Shahada en ging op:

“Ik wil een deel van jullie sturen naar de heersers van vreemde landen, maar betwist niet met mij zoals de Israëlieten betwist hebben met Jezus, de zoon van Maria.’’

“O Profeet van God, wij zullen uitvoeren wat je wilt, ‘antwoordden ze. “Stuur ons naar waar u wenst.”

De profeetﷺ gaf deze opdracht om zijn brieven te dragen aan de Arabische en buitenlandse heersers aan zes van zijn metgezellen. Een van hen was Abdullah ibn Hudhafah. Zijn taak was om de brief van de profeetﷺ te brengen naar Khusraw Parvez, de Perzische koning.

Abdullah zette zijn kameel klaar en nam afscheid van zijn vrouw en zoon. Hij was op weg, in zijn eentje, naar het land van de Perzen.

Toen hij eenmaal was aangekomen, zocht hij toestemming om in aanwezigheid te komen van de koning. Abdullah informeerde de bewakers over de brief die hij droeg. Khusraw Parvez beval daarop om de audiëntiezaal klaar te zetten en riep zijn prominente assistenten. Toen ze bijeengekomen waren gaf hij zijn toestemming aan Abdullah.

Abdullah kwam binnen en zag de Perzische koning gekleed in fijne, vloeiende gewaden en een grote, overzichtelijke tulband. Abdullah was echter in zijn grove kleren van de bedoeïenen. Zijn hoofd was al hoog gehouden en zijn voeten stonden stevig. De eer van de islam brandde fel in zijn borst en de macht van het geloof klopte in zijn hart.

Zodra Khusraw Parvez hem zag naderen signaleerde hij een van zijn mannen op de brief van zijn hand nemen.

“Nee,” zei Abdullah. “De profeetﷺ beval mij om deze brief direct te overhandigen aan u en ik zal niet ingaan tegen een bevel van de Boodschapper van God.”

“Laat hem naderen tot mij,” zei Khusraw tegen zijn bewakers. Abdullah ging naar voren en overhandigde de brief. Khusraw riep toen een Arabische klerk die oorspronkelijk komt uit Hira en beval hem om de brief te openen in zijn aanwezigheid en de inhoud ervan te lezen. Hij begon te lezen:

” In de naam van Allah, de Barmhartige de Genadevolle. Van Mohammed, de Boodschapper van God, naar Khusraw ,de heerser van Perzië. Vrede op wie de leiding volgt.”

Khusraw had alleen dit deel gehoord  van de brief  en hij barstte al van het woede. Hij griste de brief uit de hand van de klerk en begon het te scheuren in stukken zonder te weten wat er verder in het brief stond en schreeuwde,  ” Durft hij mij op deze manier een brief te schrijven, hij die mijn slaaf is”? Hij was boos dat de profeet hem geen voorrang had gegeven in zijn brief. Hij beval om Abdullah weg te zetten.

Abdullah werd weggehaald, niet wetende wat er zou gebeuren met hem. Zou hij worden gedood of zou hij bevrijdt worden? Maar hij wilde niet wachten om het uit te vinden. Hij zei: “Bij God, het kan me niet schelen wat er met mij gebeurd nadat de brief van de profeet zo slecht is behandeld.” Hij slaagde erin om op zijn kameel te gaan en reed weg.

Toen Khusraw’s woede was gezakt beval hij om Abdullah te brengen tegenover hem. Maar Abdullah was nergens te vinden. Ze zochten hem helemaal tot het Arabisch schiereiland, maar beseften dat hij verder vooruit was gegaan.

Eenmaal terug in Medina, vertelde Abdullah de profeet hoe Khusraw zijn brief in stukken had gescheurd en de enige antwoord van de Profeet was, “Moge God zijn koninkrijk verscheuren”

Ondertussen schreef Khusraw een brief aan Badhan, zijn plaatsvervanger in Jemen, om twee sterke mannen te sturen naar “de man die in de Hijaz is verschenen” met orders om hem naar Perzië te brengen.

Badhan zond twee van zijn sterkste mannen naar de profeetﷺ en gaf ze een ​​brief mee waarin de profeet bevolen werd om mee te gaan naar Khusraw met de twee mannen. Badhan had aan deze twee mannen ook bevolen om zo veel mogelijk informatie te verzamelen over de profeetﷺ en om zijn boodschap nader te bestuderen.

De mannen gingen snel op weg. In Taif ontmoetten ze wat Qoeraish handelaren en vroegen hen over Mohammedﷺ. “Hij is in Yathrib,” zeiden ze en vervolgens gingen ze naar Mekka met een blij gevoel. Dit was goed nieuws voor hen en zij gingen dit rond vertellen in Qoeraish, “U zult blij zijn. Khusraw is erop uit om Mohammedﷺ te pakken en je zal verlost zijn van zijn kwaad.”

De twee mannen waren ondertussen onderweg naar Medina. Daar ontmoetten ze de profeetﷺ, overhandigden hem de brief van Badhan en zeiden tegen hem: “De koning der koningen, Khusraw, heeft een brief geschreven aan onze heerser Badhan om zijn mannen te sturen naar je. We zijn hier gekomen om jou mee te nemen. Khusraw heeft gezegd dat als je vrijwillig komt, dat het dan goed voor je zal zijn en hij zal jou niet straffen. Als je weigert, zal jij de kracht van zijn straf kennen. Hij heeft macht om jou en jouw mensen te vernietigen.”

De Profeetﷺ glimlachte en zei tegen hen: “Ga vandaag terug naar je bergen en kom morgen terug.”

Op de volgende dag, kwamen ze bij de profeetﷺ en zeiden tegen hem: “Ben jij bereid om mee te gaan met ons om Khusraw te ontmoeten?”

“Jullie zullen Khusraw niet meer zien na vandaag,” antwoordde de profeet. “God heeft hem vermoord en zijn zoon Shirwaih heeft zijn plaats ingenomen.”

De twee mannen staarden in het gezicht van de profeetﷺ. Ze waren helemaal verbijsterd.

“Weet je wat je zegt?” vroegen ze. “Zullen we hierover schrijven aan Badhan?”

“Ja,” antwoordde de profeetﷺ, “en zeg tegen hem dat mijn religie mij heeft geïnformeerd over wat er is gebeurd met het koninkrijk van Khusraw en dat als hij moslim wordt, zal ik hem tot heerser benoemen over wat hij nu bestuurt.”

De twee mannen gingen terug naar Jemen en vertelde Badhan wat er gebeurd was. Badhan zei: “Als het waar is wat Mohammed heeft gezegd, dan is hij een profeet. Zo niet dan zullen we zien wat er gebeurt met hem.”

Niet lang daarna, kwam er een brief van Shirwaih tot Badhan waarin hij zei, “Ik heb Khusraw vermoord omwille van zijn tirannie tegen ons volk. Hij beschouwde het doden van leiders, het vastleggen van hun vrouwen en onteigenen van hun rijkdom als legaal.”

Toen Badhan de brief van Shirwaih gelezen had, wierp hij het opzij en kondigde zijn binnenkomst in de islam. De Perzen met hem in Jemen werden ook moslim.

Dat is het verhaal van het gesprek van Abdullah ibn Hudhafah met de Perzische koning. Zijn ontmoeting met de Byzantijnse keizer vond plaats tijdens het kalifaat van Umar ibn al Khattab. Dit is ook zo een verbazingwekkend verhaal.

In het negentiende jaar na de hijra, zond Umar een leger om te vechten tegen de Byzantijnen. Abdullah ibn Hudhafah maakte ook een deel uit van die leger. Nieuws over de islamitische macht bereikte de Byzantijnse keizer. Hij had gehoord van hun oprechtheid van het geloof, en hun bereidheid om hun leven te offeren in de weg van God en Zijn Profeetﷺ. Hij gaf het bevel aan zijn mannen om elke moslim gevangene te nemen en te brengen aan hem.

Abdullah ibn Hudhafah werd gevangen en werd tegenover de Byzantijnse keizer gebracht. De keizer keek Abdullah een lange tijd aan. Plotseling zei hij: “Ik zal een voorstel doen voor jou.” “Wat is het?” vroeg Abdullah.

“Ik stel voor dat jij een christen wordt. Als je dit doet, zul je bevrijd worden en ik zal jou een veilig toevluchtsoord verlenen.”

Reactie van de gevangene was woedend: “Ik kies liever om duizend keer dood te gaan dan dat ik een christen wordt.”

“Ik zie dat je een moedige man bent. Echter, als je positief reageert op wat ik je heb voorgesteld, zal ik jou een aandeel van mijn gezag geven en zweren dat je bij mij hoort.”

De gevangene, geketend in zijn ketenen, glimlachte en zei: “Bij God, ook als je me alles geeft wat je bezit en alles geeft wat de Arabieren hebben in ruil voor het opgeven van de religie van Mohammed, dan nog zal ik het niet doen.”

“Dan zal ik je vermoorden.”

“Doe wat je wilt,” antwoordde Abdullah.

De keizer had hem toen op een kruis gezet en beval zijn soldaten om speren te gooien naar hem, eerst in de buurt van zijn handen en vervolgens in de buurt van zijn voeten. Ondertussen vroeg de keizer al die tijd hem om het christendom te aanvaarden of op zijn minst af te stappen van zijn religie. Dit weigerde Abdullah elke keer.

De keizer haalde hem af van het kruis. Hij riep op om een grote pot te brengen. Deze was gevuld met olie, die vervolgens onder een felle brand werd verwarmd. Hij had twee andere islamitische gevangenen gebracht en had een van hen in de kokende olie gegooid. Vlees van de gevangene siste en al snel konden zijn beenderen worden gezien. De keizer wendde zich tot Abdullah en nodigde hem weer uit tot het christendom.

Dit was de meest verschrikkelijke test die Abdullah had moeten ondergaan onder tot nu toe. Maar hij bleef stevig en de keizer gaf het op. Hij beval dat Abdullah ook in de pot moest worden gegooid. Omdat hij werd weggehaald kreeg hij tranen. De keizer dacht dat hij eindelijk was gebroken en had hem teruggebracht naar hem. Hij had laatste keer gesuggereerd aan Abdullah om een christen te worden, maar tot zijn grote verbazing, had Abdullah dit weer geweigerd.

“Verdomme, waarom heb je dan gehuild?” schreeuwde de keizer.

“Ik huilde,” zei Abdullah, “want ik zei tegen mezelf: je wordt nu in deze pot gegooid en je ziel zal jouw lichaam verlaten. Wat ik echt gewenst had toen, was om zo veel zielen te hebben als het aantal haren op mijn lichaam en dat ze allemaal in deze pot gegooid zouden worden omwille van God. ”

De tiran zei toen: “Wil je mijn hoofd kussen? Dan zal ik je vrijlaten?” Hierop vroeg Abdullah: “En alle islamitische gevangenen ook?”

De keizer accepteerde dit en Abdullah zei tegen zichzelf: “Een van de vijanden van God! Ik zal zijn hoofd kussen en hij zal mij en alle andere islamitische gevangenen vrij laten. Er kan geen schuld op mij zijn om dit te doen.” Hij ging vervolgens aan de keizer en kuste zijn voorhoofd. Alle islamitische gevangenen werden vrijgelaten en overgedragen aan Abdullah.

Abdullah ibn Hudhafah kwam uiteindelijk tot Umar ibn al Khattab en vertelde hem wat er gebeurd was. Umar was enorm blij en toen hij keek naar de gevangenen zei hij: “Elke moslim heeft de plicht om het hoofd van Abdullah ibn Khudhafah te kussen en ik zal beginnen.”

Vervolgens kuste Umar het hoofd van Abdullah ibn Hudhafah.

 

Contact ons

Wil je ons een vraag stellen of iets melden? Stuur ons gerust een email via het contactformulier. Bel je liever? Bel dan naar 071-5210022